dinsdag 17 augustus 2010

Zwembad

Niets dat de verloren jeugd zo sterk oproept als de lucht van chloor. Ik hoef maar langs een zwembad te rijden en het slaat als een golf door mijn lichaam. De weemoed. De onschuld. Zwemmen deed je toen je nog niets hoefde. Zwemmen deed je als het lekker weer was. Als je in je korte broek naar huis reed. De opwinding. Thuis je tas met boeken in een hoek smijten, je zwembroek, je handdoek en je abonnement in een tas doen en dan snel naar Zwembad De Looƫrmark.
Met zeven jongens en meisjes naar een zwembad rijden. Veel beter wordt het leven niet. Alles is nog mogelijk. Er staan 1.400 fietsen en toch vind je een plekje. Het genot van het abonnement. Je hebt inmiddels geleerd hoe je dat zo onverschillig mogelijk omhoog moet houden. Andere mensen in de rij, zonder abonnement, kijken je na. Ja, jij bent een door de wol geverfde zwembadbezoeker.
Die heerlijke grijze haken waar je je kleding aan ophangt. Pas drie jaar geleden, ongeveer 35 jaar te laat, begreep ik dat de twee onderste kromme stukken voor de schoenen zijn. De kleedhokjes. Het gekloot met het slot. Die belachelijke angst, toen al, dat iemand je lulletje ziet. En dan misschien wel het fijnste van een zwembad. Het naar elkaar roepen. ‘Krik! Krik!’ ‘Ja, wat is er?’ ‘Krik, je hebt een olifantenpik.’ Het gelach. Om jou. Ik denk dat veel cabaretiers zijn begonnen in een zwembad.
En dan het water. Het geschreeuw. De rij bij de duikplank. De net iets te wilde sprongetjes in het gras, van jongetjes die later nooit meer zo zullen springen. Zorgeloos. Twee gulden vijftig onder je handdoek, om patat te kopen. Je wang tegen al die blote ruggen voor je als je op je beurt wacht. En dan het water. Boven je hoofd. Alles is stil en als je bovenkomt gil je. Van blijdschap, al weet je niet waarom.